Ik heb het eigenlijk nooit fijn gevonden.
Praten over niks.
Koetjes, kalfjes, het weer.
De waan van de dag.
Op de een of andere manier zoog (en zuigt) dat mijn enthousiasme uit een gesprek.
Het is niet dat ik het niet kán of nooit doe, want af en toe is het natuurlijk gewoon functioneel, vooral als je iemand voor het eerst ontmoet.
In bepaalde situaties is het ook echt prima.
Maar het is niet waar ik het liefst mijn tijd aan besteed, of van opbloei, of naar uitkijk.
Ik vind het vooral vermoeiend, en saai.
Dit is overigens puur een persoonlijke voorkeur hoor, geen poging om mezelf en mijn ideeën en gedragingen te verheffen.
Volgens mij was het nooit een bewuste keuze, dat wat ik ten diepste belangrijk en boeiend vind, dat wat me bezighoudt, dat wat me stimuleert en inspireert.
Ik voel gewoon steeds duidelijker wat ik wel en niet wil doen, en waar ik al dan niet tijd en energie in wil steken.
En dat zie ik ook steeds meer bij de mensen die ik coach.
Er is een soort chronische oppervlakte-moeheid.
Een (al dan niet sluimerende) aversie tegen de nietsigheid, de vlagerige ophef, de wereld van continu vergelijken en de maat nemen.
Een verlangen naar echtheid, naar het wezenlijke, naar dingen die ertoe doen, en conversaties die daarover gaan.
Niet zelden hoor ik iemand verzuchten dat hij het gewoon niet meer kan opbrengen om over niks te praten, of dat zij de leegte in gesprekken niet meer kan verdragen.
Dat begrijp ik maar al te goed.
Zullen we daar ‘ns wat aan doen?
(Mail me.)