“Die gruwelijk kritische gedachten, zijn die van jou?” vraag ik haar.

Ze knikt.

“Dus jij denkt ze?”

Ook dat wordt bevestigd.

“En dat betekent dus ook dat jij er verantwoordelijk voor bent?”

Daar moet ze even op kauwen.

Ja, toch wel, waarschijnlijk wel, want ze zitten immers in haar hoofd.

Het móet dus wel.

“Oké, dus jij maakt ze, die gedachten over hoe waardeloos en kansloos je bent, die keiharde opmerkingen over dat het nooit goed genoeg is?”

Ze knikt weer, maar iets minder overtuigd.

“Want als dat werkelijk zo is” ga ik verder, “betekent het heel goed nieuws: wat jij maakt zou je namelijk ook NIET kunnen maken, of anders maken, of minder erg maken.”

Geen reactie.

“Met andere woorden: als jij al die dingen denkt, als het jouw schuld is, als het écht jouw producten zijn, waarom maak je dan geen fijnere verhalen?”

We hebben het er nog een paar minuten over.

Voor het eerst in haar leven staat ze stil bij iets wat nooit ter discussie heeft gestaan: de bron van haar gedachten.

‘Ik’ denk, zeggen we, ‘mijn’ gedachten.

Maar claimen we hier niet iets dat gewoon zijn eigen gang gaat?

Als het denken 100% van jou is en van woord tot woord door jou wordt geproduceerd, dan zou je toch alleen maar leuke dingen denken?

Als JIJ denkt, als jij dat systeem aanstuurt, dan zou je ook best een half uur helemaal niks kunnen denken, of niet soms?

Waarom zou je jezelf bewust naar beneden halen en jezelf bombarderen met kritiek en verwijten?

En daar komt het, haar gezicht ontspant.

Het is de opening die haar manier van denken over denken volledig kan veranderen, en een nieuwe vrijheid kan bieden.

Ze ziet het nu: denken gaat meestal vanzelf.

Het komt en het gaat en we hebben er vrijwel niets over te zeggen.

Het LIJKT van ons en het LIJKT zo persoonlijk omdat wij er als enige getuige van zijn.

“Dus ik hoef het niet serieus te nemen?” vraagt ze nog vol ongeloof.

En ik zie dat ze het antwoord zelf al weet.