Och wat wilde ik dat toch altijd graag.

Leven in het nu.

Honderden boeken las ik erover, úren zat ik ermee, met mijn ogen dicht, wanhopig proberend niet te denken en niet te voelen.

Want dat was namelijk wat ik écht wilde:

Een leven zonder pijn en verwarring.

En dat hele ‘in het nu’, zoals ik het me voorstelde, smaakte daarnaar.

Zoet, bevredigend, heerlijk.

Als ik dacht aan spirituele verlichting, of aan ontwaken en mijn Ware Aard ontdekken, dan ging dat altijd over non-stop geluk en eindeloze dagen vol plezier en blijheid en gouden zonnestralen.

Alles zou probleemloos zijn.

Ik beweerde het wel en dacht het ook wel, maar ik wilde eigenlijk helemaal niet in het nu leven.

Ik wilde leven zonder shit en angst en onzekerheid.

Ik wilde vlúchten in het nu.

Niks onvoorwaardelijke acceptatie, niks de hele fucking ervaring inclusief ALLES, maar alleen de fijne en makkelijke dingen.

Soms lukte dat een tijdje (en dan vond ik mezelf ook heel bijzonder).

Soms voelde het alsof ik rond mezelf zweefde, en van een afstand kon kijken naar dat arme mensenlijf met dat drukke hoofd erop dat maar liep te zwoegen en dingen zo ongelooflijk serieus nam.

Soms dacht ik echt dat ik het wist, dat ik het had, dat ik er was.

Soms leek ik verlicht.

Hahaha.

Maar vaak kroop er dan toch weer iets van ongemak en onrust naar binnen, en ik realiseerde me steeds meer dat ik vooral een trip naar buiten aan het maken was, dat ik probeerde de aardse ervaring te ontstijgen.

Heel lang deed ik niets met die realisatie.

Als je maar vaak genoeg leest en mediteert en reflecteert en schrijft en alles wat niet prettig voelt en je laat twijfelen uit de weg gaat, kun je best lang doen alsof.

Hard werken, maar dan heb je ook wat.

Het verlichte poppetje.

Ach ja.

Het is een logische valkuil, een typische droom, voor wie niet heeft geleerd zich veilig te voelen.

De ironie is dat de voorwaardelijkheid van die droom, het alleen maar op zoek zijn naar bliss, je van de allergrootste rijkdom weghoudt die er bestaat.

Leven in het nu.

Maar dan écht.