Als ik me onrustig en ongemakkelijk voel, kom ik bijna automatisch in beweging.
Ik kan op bed gaan liggen met de intentie om ALLES een tijdje te ervaren en aanvaarden, maar mijn hoofd probeert me altijd voort te stuwen, en slaagt daar ook heel vaak in.
Waarschijnlijk is heel veel schrijven en dat delen een afweermechanisme dat zich soepeltjes aan mijn talent heeft gekoppeld, zodat het nuttig en belangrijk lijkt.
Vaak is dat overigens ook zo, want het formuleren van mijn twijfels en inzichten brengt me helderheid, maar ik realiseer me ook dat het kan dienen als vlucht, om mijn aandacht af te leiden van wat ik niet wil voelen.
Het écht diepe spul, zeg maar.
Zomaar niets doen, behalve ervaren wat zich van binnen afspeelt, kan intens nutteloos voelen, alsof ik mijn tijd beter kan besteden aan actie en het maken van plannen, en schrijven heeft zich een slimme positie verworven in dat soort situaties.
Het ironische is dat zelfs de metabeschouwingen, zoals het blogje wat je nu leest, tegelijkertijd inzicht verschaffen én me een goed excuus geven om mijn hongerige en dwangmatige geest te geven wat hij wil: activiteit.
Ik leer er dus wel degelijk van, maar het weerhoudt me op slinkse wijze ook van de rauwe, ongefilterde en vaak ongemakkelijke confrontatie met het oncomfortabele moment die waarschijnlijk cruciaal is.
Mijn denken is uiterst gelaagd en soms gekmakend bijdehand, en heeft een vraag voor elk antwoord.
Achter elke hoek schuilt een nieuw probleem, en er zijn meer hoeken dan ik ooit zal kunnen omslaan, dus dat is een oeverloos traject.
Terwijl ik op mijn bed lig en dit tekstje typ op mijn telefoon, zie ik de intelligentie aan het werk die me zo kan verwarren, en de ingebouwde neiging om te vluchten.
Ik mail het stukje naar mijn computer en blijf nog even waar ik ben en wát ik ben.
De ruimte die genoeg plaats heeft voor alle misvattingen ter wereld.
—
(Foto door @a_sobotyak, voor Unsplash)