Als we héél jong zijn komen we er vaak nog wel mee weg.
Zeggen wat we willen.
Vragen om dat waar we zin in hebben.
Soms honderd keer achter elkaar, en vooral schaamteloos.
Na een tijdje krijgen we daar echter vaak problemen mee, want we leren snel genoeg van onze ouders of verzorgers dat dit specifieke gedrag niet acceptabel is.
We ontmoeten boosheid, ongeduld, frustratie en teleurstelling, en omdat we deze figuren nou eenmaal graag blij zien (ze zijn immers letterlijk de wezens die ons veilig en warm en in leven moeten houden), passen we ons aan.
Dus daar gaan we.
Op weg naar een keurig netjes, lekker braaf leven, waarin we ons gedragen en vrijwel nooit meer durven uit te spreken, uit (onbewuste) angst voor de vernedering of verwijdering die we voelden in onze kindertijd.
Onze verlangens worden verstopt.
Onze wensen worden vernietigd.
Onze diepste dromen blijven ergens in een la liggen.
En wat we wérkelijk willen blijft onuitgesproken.
We vragen niet om salarisverhoging.
We vragen niet om meer geld voor onze diensten.
We vragen onze partner niet om een lekkere, natte, orale seks-beurt omdat we daar toevallig zin in hebben.
En als we geen partner hébben, vragen we niemand een keertje mee uit.
Want wat als je ‘nee’ te horen krijgt?
Wat als je wordt genegeerd, uitgelachen, of beschimpt?
Wat als je tegen teleurstelling aanloopt, of geconfronteerd wordt met die kille blik die je toen ook toegeworpen kreeg, jaren geleden?
Dan maar liever geen risico nemen.
Het is allemaal zo logisch, zo begrijpelijk.
Maar wat het níet is, is onoverkomelijk en onveranderbaar.
Dus als je genoeg hebt van braaf, als je klaar bent met klein, als je niet langer wilt leven met ‘laat ook maar zitten’, dan is dit je kans, DE kans.
Grijp ‘m.
‘Marnix, ik wil weer gewoon zeggen wat ik wil, wanneer ik het wil, kun je me helpen?’
Tuurlijk.
Want dat is ook wat IK wil.
(Mail me, dat wil je.)