Geen idee hoeveel gesprekken ik erover heb gehad, maar het zijn er veel, heel veel.
‘Jezelf zijn’ is een enorm aansprekend idee, vind ik, maar ook best verwarrend.
Want ben je dan ook soms níet jezelf, en wat of wie ben je dan wél?
Moet je het oefenen, moet je iets afleren, moet je ernaar op zoek?
En hoe weet je eigenlijk wie die jezelf is?
Ik denk dat het mij zo aanspreekt omdat het een bepaalde eenvoud heeft, een eerlijkheid en een vanzelfsprekendheid.
Voor zover ik het nu ken, voelt jezelf zijn comfortabel en natuurlijk.
Het voelt heerlijk vertrouwd, maar niet eens echt spectaculair.
Het voelt zowel doodnormaal, als uitdagend.
Want niet zelden lijkt het alsof die jezelf in botsing komt met aangeleerde normen en ideeën en overtuigingen, en dat maakt het tricky en ongemakkelijk.
Ik heb jaren gehad waarin zo’n ‘zelf’ helemaal niets voor me betekende, meestal omdat ik toen krampachtig probeerde het universum te zijn.
(Ja dat vind ik zelf ook grappig…)
En er zijn tijden geweest dat ik er keihard naar op zoek ging.
Ik. Op zoek. Naar ik.
Huh?
Inmiddels lijkt het erop dat ik veel meer mezelf ben.
Dat betekent niet per se iets heel excentrieks, iets dat heel erg uitgesproken en uitdagend is.
Volgens mij is het de versie zonder al teveel poespas, zonder al die psychologische barrières en trucjes en angsten en voorbehouden.
Met minder van de aangeleerde houding en presentatie.
Zonder de vele filters en drempels en verstoorde kronkelige verlangens.
Een soort uitgeklede, milde, intuïtieve versie.
Rustiger, minder geneigd om aan te vallen, minder angstig, minder kritisch.
Ruimer, in zekere zin.
Veel ruimer.
En opgeruimder, dat ook.
Ik denk dat je weet dat je meer jezelf bent omdat het gewoon goed voelt.
Beter, zelfs.
Het is bijna als een vertrouwd smaakje, een echt intieme sensatie, een gevoel dat zich meester van je maakt en steeds vaker dichtbij is.
En dan weet je het gewoon.
Weet jij het?