Als ik mensen die met veel zorgen rondlopen coach, zeg ik het vaak gekscherend:

‘Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zichzelf gelukkig heeft gepiekerd.’

Meestal wordt daar hartelijk om gelachen.

Of niet echt hartelijk, maar in elk geval met flink wat spot.

Ja, duh, tuurlijk niet.

Maar ik kan je verzekeren dat de meeste mensen het evengoed gewoon proberen.

De hele dag, elke dag.

Piekeren is misschien wel de belangrijkste vicieuze cirkel van de menselijke geest.

We doen het bijna allemaal, en niet zelden vrijwel continu.

Het is net alsof piekeren officieel de beste oplossing is voor al onze problemen.

Alsof het echt heel krachtig en effectief is, en volop ruimte biedt aan creativiteit en frisse antwoorden.

Maar als ik het vraag, zeggen mensen altijd dat het totaal niet prettig voelt.

Zelfs beklemmend, en zwaar, en beperkend.

En dat wil je dus juist niet!

Piekeren helpt ons totaal niet als het gaat om welzijn en geluk en lichter leven, maar dat geldt eigenlijk voor elke vorm van denken en gedachten.

Jezelf gelukkig denken klinkt logisch, maar het is een heel beroerd idee.

Gewoon omdat we niet zo werken.

Leuke dingen denken is niet de remedie (heb je vast wel eens geprobeerd, en ben je vast ook weer vergeten).

Helemaal niets denken is onmogelijk.

Maar we zijn gelukkig verre van kansloos.

Geluk is simpelweg de ontdekking dat we onze gedachten en gevoelens niet zijn, en de ervaring van wat er vervolgens overblijft.

En in die staat van zijn heeft piekeren niets meer te zoeken.