Daar zat ik dan.

Los te laten.

Want dat was het magische begrip, de ultieme oplossing.

‘Je moet gewoon loslaten.’

Maar natuurlijk lukte het me niet.

Wat ik éigenlijk deed was hopen dat wat ik niet wilde voelen, niet wilde accepteren, me niet wilde realiseren, stiekem weg zou gaan.

Niks loslaten: zachtjes wegduwen.

Hele kleine stapjes achteruit doen, weg van wat ik niet wilde, en dan hopen dat het mij zou vergeten.

Loslaten werd een truc die ik niet beheerste.

En alles wat ik vreesde en alles wat pijn deed, bleef in de buurt rondhangen.

Totdat ik het anders ging benaderen.

De oplossing is natuurlijk kinderlijk eenvoudig.

Niet loslaten, maar tóelaten.

Met open armen, en open hart, en soms met knikkende knieën.

Dat je als het ware zegt ‘Kom maar, ik ben hier, en ik ga nergens heen’.

Dat je het over je heen laat komen, spoelen, denderen.

Toelaten, álles, het hele fucking beest, de badkuip vol, de allergrootste golf uit je allerzwartste nachtmerrie.

Dat, dát is de remedie, het proces, de transitie.

Niet stiekem achteruit, maar blijven staan.

We zijn zo sterk, ZO sterk, maar als je dat niet weet, dan ga je jezelf ontzien.

Dan ga je zitten loslaten, of zoek je afleiding, demping, zelfmedicatie.

Net als ik deed, al die tijd.

Het gevoel van wat we vrezen en denken niet aan te kunnen, is vaak veel groter en zwaarder dan waar we eigenlijk bang voor zijn.

Toelaten is misschien een eng idee, maar in de praktijk is er geen grotere opluchting, geen steviger bewijs van wat we werkelijk aan kunnen, en geen mooiere ode aan de menselijke veerkracht en ons vermogen om bewust te leven.

Toelaten is liefde voor wat je dacht te haten.

Mail me als je daar wat hulp bij nodig hebt.