Gisteren wandelde ik door het bos met iemand die bang was voor de dood.
Het was een schitterende avond, en een fascinerend probleem.
Ik wilde graag weten hoe die angst er dan uitzag, en wáár ze precies bang voor was.
Wat wist ze eigenlijk van de dood?
Ze vertelde me één van de ideeën die haar regelmatig leken te verpletteren, en dat ging erover dat ze terecht zou komen in een eindeloos Niets.
Haar bewustzijn zou intact blijven, maar de wereld zou voor altijd verdwijnen.
We gingen op een bankje zitten, en in het gesprek dat volgde bekeken we haar huiveringwekkende prognose van alle kanten, nét zo lang tot er scheurtjes in ontstonden.
En we onderzochten niet alleen kritisch haar specifieke verhaal, maar hadden het ook over hoe dat soort verhalen überhaupt ontstaat, wat de invloed is van onze gedachten op wie we denken te zijn en hoe we ons voelen, en hoeveel we nou eigenlijk écht in te brengen hebben, in het leven.
Uiteraard kwam haar sterke verlangen om invloed uit te oefenen en alles onder controle te hebben naar boven.
En het ging ook zeker over de neiging om continu te intellectualiseren (iets waar ze trouwens verdomd goed in is) en de neiging om denken heilig te maken.
Ook daar ontstonden scheurtjes.
We kwamen tot de conclusie dat het intellect een schitterende tool is, maar op veel gebieden volkomen ontoereikend blijkt.
En ze realiseerde zich dat ze zich niet uit haar denken zou kunnen denken.
Terwijl we in het avondzonnetje zaten, en ze me vroeg naar strategieën voor later, gaf ik haar niks.
Ik wilde haar intellect niet voeren met méér, en bovendien zaten we gewoon lekker en prettig en veilig en ontspannen, en dat wilde ik haar laten ervaren.
“Ik weet niks van de dood” vertelde ik haar, “maar ik weet wél dat we nu leven, en als je ook maar héél even stopt met denken, ervaar je vanzelf hoe krachtig dat is.”
Het was een schitterende avond.
—
(Foto door @bernard_, voor Unsplash)