Ik zou willen dat ik zielsveel van hem houd.
Dat ik hem graag wil aanraken en vasthouden en knuffelen.
Dat ik ontroerd naar hem opkijk als ik gehurkt voor zijn stevige rolstoel zit.
Dat ik trots op hem ben, en aan zijn lippen hang als hij vertelt over vroeger.
Maar als ik bij hem ben in het verzorgingshuis voel ik weinig.
Of, als ik heel eerlijk ben, gewoon niks.
Een oude man is het, met Alzheimer en een dikke buik.
Een drukke, beetje gekke vent, die ongepaste dingen zegt en vaak heel kort huilt omdat hij meestal direct weer vergeet waarom de tranen kwamen.
Soms herkent hij mij en mijn zus, maar meestal vervliegt dat ook weer snel.
Ik weet niet waar het is misgegaan tussen mijn vader en mij, waar ik (onbewust) besloten heb hem niet meer te vertrouwen en niet meer van hem te houden.
Ik kan me niet herinneren welk onveilig of verwarrend moment ervoor zorgde dat ik de kraan dichtdraaide en de luiken voor de ramen deed, waar die afstand is ontstaan, waar ik definitief los van hem kwam.
Waarschijnlijk was het een hele serie gebeurtenissen.
Het is heel, heel verdrietig dat ik geen band met hem heb, en het zegt natuurlijk veel over de radicale emotionele trucs die ik moest uithalen om als kind te overleven.
Ik verwacht ook niet dat het ooit nog anders wordt.
En toch ga ik graag even bij hem langs, als onderdeel van een helend bezoekje aan het dorp waar ik een groot deel van mijn jeugd heb doorgebracht.
Omdat ik het kennelijk tóch wel prettig vind hem even te zien, een rustig rondje met hem door de oude buurt te gaan, en te luisteren naar een uur verwarring en chaos met korte flitsen van helderheid.
Ik weet niet wat ik mis want ik weet niet hoe het hoort te voelen.
Te lang geleden.
Te veel gebeurd.
Maar ik had graag gewild dat ik zielsveel van hem houd.
(Foto door @hunth, voor Unsplash)