Had ik het maar nooit gedaan.

Had ik het maar wél gedaan.

Had ik het maar niet gezegd.

Was ik er maar nooit aan begonnen.

Had ik toen maar doorgezet, was ik toen maar sterk geweest, had ik het maar anders gedaan.

Anders dan nu, anders dan dit.

De gemiste kans.

De verkeerde stap.

De foute reactie.

Had ik maar…

Zoals zoveel menselijke fenomenen heeft spijt uiteenlopende kanten.

De ‘positieve’ kant is waar het ons energie geeft, de energie om dingen anders te doen, om iemand te laten weten dat ons gedrag onacceptabel of overdreven was (en dat we dat duidelijk zien en erkennen), om ons te leren minder reactief te zijn, te leren dat er altijd verschillende invalshoeken zijn, om voortaan wat meer tijd te nemen voor we reageren, of te ontdekken dat onze intuïtie het -uiteraard- bij het rechte eind had.

Dat zou je het mooie van spijt kunnen noemen.

Maar er is ook een lelijke kant, een duistere kant.

De kant waar het ons gaat belemmeren, waar ontwikkeling stil komt te staan, en waar levens gaan draaien om zelfverwijt en zelfkritiek.

De kant waar spijt ons niet stimuleert en inspireert, maar naar beneden haalt, murw beukt, en vastnagelt, en dat keer op keer op keer.

Deze vorm van spijt is een vloek, maar een vloek die opgeheven kan worden.

Niet door ratio, maar door bewustzijn.

Niet door het te snappen, met je hoofd, maar door het te omarmen, met je hart.

Spijt lost op in liefde.

In liefde voor wie je bent en voor hoeveel je altijd je best doet (ook al beweert de stem in je hoofd dat dat nogal tegenvalt).

In liefde voor je menselijkheid.

In liefde voor je wispelturigheid, je stemmingen, je goede bedoelingen, én alle dingen die je doet en hebt gedaan die achteraf fout en onvergeeflijk lijken.

In liefde… voor alles wat je bent en denkt en voelt.

Want daar kan spijt niet tegenop.

(Vind je het moeilijk om liefde te ervaren? Mail me.)