Ik denk daar dus over na.
Dat ‘maandag’ eigenlijk niet bestaat.
Dat het hier gaat om een construct, een concept, dat we gebruiken om het menselijk bestaan een beetje te ordenen.
Een verzinsel.
Een woord.
Een klank.
Maar geen ding.
‘Uh, maakt dat wat uit?’ zou je kunnen vragen.
Nee, en ja.
Nee omdat woorden nou eenmaal zijn wat ze zijn: nuttig, praktisch, universeel inzetbaar, en dus vrijwel onmisbaar als het gaat om communicatie.
Prima.
En ‘ja’ omdat woorden vaak uitgroeien tot dingen waar we last van krijgen, onder gebukt gaan, voor weg willen rennen.
Zo zijn er hele volksstammen die maandag haten.
‘Ugh, het is bijna maandag….’
Tenzij ze op vakantie gaan, of vrij hebben, of verliefd zijn, want dan is maandag eigenlijk best oké.
Huh?
We geloven zó in woorden en de reactie die ze in ons oproepen (het bewijs van hun kracht en effect!), dat we vergeten dat ze hooguit een verwijzing zijn naar iets, maar van zichzelf eigenlijk volstrekt waardeloos, en krachteloos.
Een vleugje energie, hooguit.
En dat is goed om te weten, en bij stil te staan, heel erg goed.
Want zo kun je de woorden die je in je hoofd hebt en die de zinnen maken waar je zo onder gebukt gaat, de woorden die stiekem monsters zijn geworden, leren zien voor wat ze zijn.
Niet eng, niet kut, niet verpletterend, en zeker niet in staat om je te breken.
Het kan absoluut zo vóelen hoor, alsof de woorden maandag, Ajax, seks, de toekomst, Covid en angststoornis ons letterlijk kunnen raken.
Maar dat is conditionering.
Een aangeleerde koppeling en reactie.
Zeker niet onbelangrijk, als fenomeen, en ook niet iets om zomaar overheen te stappen, maar vooral een opening naar vrijheid.
Maandag kan er echt niets aan doen.
Woorden hoeven je niet klein te krijgen.
Wat zou er gebeuren als je niet langer van ze baalt?