← De mier en de vlinder

Willen dat het weg

Het was een mooie zomerdag in het bos en omstreken.

Voor zover ogen en oren reikten, was iedereen tevreden en blij.

Behalve de mier.

Hij keek sip.

De mier had last van vredelozigheid en wilde het kwijt.

De hele ochtend al.

Hij was gaan zwemmen, rennen, stilstaan, eten, bukken, drinken, nog wat eten, denken, fluisteren (tegen de wolken), wat eten, voetballen, op zijn hoofd staan, uitgebreid zitten op een kruk van gras en schors, nog een beetje eten en uiteindelijk met hangende schouders bij het meer gaan zitten, want niets hielp.

Hij zuchtte rimpels op het water.

“Willen dat iets weg” zei de mier tegen niemand in het bijzonder en dus waarschijnlijk tegen zichzelf, “is het moeilijkste wat er is.”

Hij dacht er nog wat dieper over na.

Wie of wat bepaalde eigenlijk dat de dingen waren zoals ze zijn?

Dingen in je hoofd, maar ook ziek, jeuk, en bijvoorbeeld regen?

Allemaal dingen die er soms niet waren, en dan ineens weer wel, soms zelfs heel overweldigend, maar die in elk geval nooit weggingen of ophielden op het moment dat jij dat wilde, zelfs al was je heel streng.

Ja, uiteindelijk, uiteindelijk gingen ze wel weg.

Alles ging uiteindelijk weg.

De mier keek naar het meer.

Het meer keek terug.

Het was stil.

Alsof de wereld wachtte op een beslissing van een belangrijk iemand.

In zijn hoofd was het inmiddels helemaal opgeklaard.

Zomaar.

Er was misschien nog een héél klein restje sip, voelde de mier, maar hij was compleet vergeten wat hij ook alweer zo graag kwijt wilde.

Misschien kon het tóch, willen dat het weg en dat het dan ook lukte, maar dan moest je het gewoon niet willen.

Het was een mooie zomerdag bij het meer en omstreken. Iedereen was tevreden.