← De mier en de vlinder

Dankbaar

“Ik ben dankbaar” zei de mier.

Dankbaar.

Het smaakte als een versgebakken koekje.

Hij zat op het hek en keek om zich heen zoals hij nog nooit eerder had gedaan.

Alles was er, zoals altijd, maar anders.

Het was er voor hem.

De bomen.

De rivier.

De lucht die bewoog, traag en bijna vrolijk.

Hij zag het gras en het gras was tevreden.

Gras was gewoon gras maar het moest er zijn, en het klopte.

De mier had een lijf en daar was hij het ook voor.

Dankbaar.

Alles wilde niks en hoefde niks en toch leek het zo helemaal te kloppen.

Het was zo groot en klein tegelijk.

De mier hapte naar adem.

Een fijne, diepe hap.

En ook daar was hij het voor.

Ontzettend.

Dankbaar.